Eén dag voor Epiphanie leidde Ds Sybout van der Meer de nieuwjaarsvesper in aan de hand van Mattheüs 2, vers 1:23 met de hierna volgende overdenking:

P1040943

Drie kinderen waren in deze weken rond Kerstmis veel in mijn gedachten. Eén kind ken ik uit de bijzondere verhalen, die een mevrouw vertelde tijdens het zondagsschooluur in het Hervormde terpkerkje van Sint Nicolaasga. Over dat kind kon zij zo lyrisch vertellen, alsof het haar eigen hartekind was. Vooral in deze weken van het jaar kon ze ons kinderen tot tranen toe bewegen. Met name het verhaal van de moord op alle kinderen jonger dan twee jaar, die dictator Herodes in het Midden Oosten liet uitvoeren, beleefden we als gruwelijk onrecht hier en nu.  Later heb ik begrepen dat heel haar Godsgeloof verbonden was met dit joodse kind van een veel te jonge moeder, die trouwde met de dorpstimmerman. In haar geloofsbeleving was dit kind waarlijk de Redder, die niet alleen de Joodse Messiasverwachting vervulde, maar ook haar en mij en alle mensenkinderen zou bevrijden van wat er in ons aan misselijk makende, afbrekende, kwaaie karaktertrekken schuilgaat. Het andere kind ontmoette ik in september 2012 in de Ridderzaal in Den Haag en het derde kind heb ik alleen een aantal keren op de televisie gezien. Alle drie zijn op een heel eigen wijze verbonden met mijn eigen gelovig leven. Theologisch is het niet verantwoord om Jezus op één lijn te stellen met Kesz en Malala, maar…ze zijn voor mij wel alle drie een heel eigen en uniek teken van hoop en van toekomst tegen de werkelijkheid in van het voor miljoenen kinderen en volwassenen zo inhumane leven. Voor mij zijn ze alle drie  Kerstkinderen. En dat wil ik graag toelichten op deze zondag van Epifanie. Laat ik beginnen met het meisje dat ik alleen van de televisie ken. Op Allerheiligen, november vorig jaar, vertelde ze in Collegetour van de NTR aan een zaal vol studenten over haar strijd voor vrouwenrechten, de aanslag op haar leven door de taliban en haar onbevreesdheid voor de dood.  Ze zei tegen de aanwezige jonge mensen: “Als je in je leven iets wilt bereiken, zul je bereid moeten zijn een offer te brengen…” Klaarblijkelijk verstaat ze daar niet een eenmalige handeling onder, maar is het voor haar een levensopdracht die duurzaam is. Een voorbeeld van die houding geeft ze met het offer van de vergeving en verzoening jegens de mensen die haar naar het leven staan. Ze noemt het kwaad van de doodsdreiging en stelt er tegenover: “Mijn doel is het om mensen te redden…” Een meisje, nee, een jonge vrouw van zestien, uitdagend voorbeeldig. Het tweede kind van mijn mijmeringen: Hij was twee jaren jong en al bedelaar. Door zijn familie op de hoek van een winkelcentrum gedumpt. Instructie dat hij moest huilen was niet nodig. Hij was vier toen hij zwervend door Manilla geld en eten bij elkaar moest scharrelen. Hij was vijf toen hij van huis vluchtte. Weg van het schelden, slaan en misbruik. Overdag de vuilnisbelt voor restanten eten, ’s nachts de open graftombes. Op een ochtend werd hij gevonden door een sociaal werker. Opgerold als een straatkat lag hij in de verwarmde corridor van een grote winkel. Het is het verhaal van Kesz uit Manilla. Een, van de miljoenen kinderen, die geen toekomst heeft. Maar, zijn verhaal kreeg in 2012 een uniek vervolg tot in Den Haag, waar  hij in de Ridderzaal vertelde wat hem was overkomen. Hij is gered door een maatschappelijk werker. Die zorgde voor een veilige bedding in een gezin. Daar vierde hij voor het eerst zijn geboortedag. Hij mocht voor deze verjaardag een wens doen. En hij wenste dat hij cadeautjes mocht geven aan zijn straatmakkertjes. Dat werd het begin van Community Children. Die eerste verjaardag vierde hij met het uitdelen van teenslippers aan kinderen die op blote voeten leven. En in vervolg daarop is hij als kind wekelijks  met vriendjes de sloppenwijken in gegaan en vertelt hij de ouder- en dakloze kinderen over  billen afvegen,  handen wassen, niet drinken uit het riool en  helpt hij hen  op een vierkante meter zelf voedsel te verbouwen. Hij is nu veertien jaar en dankzij de kinder-ombudsorganisatie van de bewogen Marc Dullaert kwam Kesz naar Den Haag om de Wereld Kinder Vredesprijs in ontvangst te nemen. Daartoe klom hij in september 2012 op het spreekgestoelte in de Ridderzaal. Achter hem stond een kleine zwarte man. Die man heet Desmond Tutu, Luthers aartsbisschop in Zuid Afrika, nobelprijswinnaar van de vrede.  Terwijl Kesz zijn kindertoespraak hield, interrumpeerde de aartsbisschop. Hij voerde het derde kind in, het eerste kind uit mijn gedachten. Op een moment fluisterde hij: “Kijk, daar staat een kind dat de tranen van Gods wangen dept. Want, dat de wereld er voor zoveel kinderen zo genadeloos uitziet, is niet wat God wil. God huilt daarom. Maar het is ook God die zichzelf laat troosten. Kesz staat symbool voor alle kinderen die de tranen wegvegen en God weer moed geven.” Beiden, Kesz en Malala, bezorgen mij een nieuw beeld van het Godsbestaan en de komst van het goddelijk Kind in onze mensenwereld. God, die weer moed krijgt door de courage van  kinderen. Aan hen dank ik een heel nieuw zicht op het komen van het Kind van Bethlehem uit de zondagsschoolverhalen. Dankzij Malala en Kesz begin ik te begrijpen wat  theologisch het woordje “Redder” betekent. Aan ons in dit nieuwe jaar de uitdaging om de inhoud van dat woordje te vertalen naar de dagelijkse omgang met elkaar.

Na afloop van de nieuwjaarsbegroeting op 5 januari werd een spontane collecte gehouden voor onderwijsprojekten t.b.v. kinderen van Koptische vuilnisophalers in Cairo. Voor informatie over de stichting die dit werk ondersteunt,  verwijzen we naar de website www.kinderenvancairo.nl  Giften kunnen worden overgemaakt op rekeningnummer 5056.27.701 t.n.v. Kinderen van Cairo te Rotterdam.

 

 

P1040941

 

 

 

Tenslotte zette Edo Jonker, voorzitter van De Nieuwe Kring, de aanwezigen aan het denken  met:

ITHACA

Wanneer je je reis naar Ithaca aanvangt,
bid dan dat de weg lang mag zijn,
vol avontuur, rijk aan stof tot kennis.
Wees niet bang voor de Lestrygonen
en de Cyclopen en de toornige Poseidon.
Je zult volk van dat soort nooit tegenkomen zolang
je gedachten verheven blijven en
fier gevoel je lichaam en geest vervult.
Je zult de Lestrygonen nooit ontmoeten,
noch de Cyclopen en de grimmige Poseidon,
als je ze niet in je ziel met je meedraagt,
als je ziel ze niet voor je oproept.

Daarom, bid dat de weg lang mag zijn,
dat het vele zomerochtenden moge geven,
dat je zo vol vreugde, zo vol genot
nooit eerder geziene havens aandoen mag!
Blijf rondhangen op Phoenicische markten
en koop er vele schone zaken:
parelmoer en koralen, amber en ebbenhout
en zoetgeurende parfums van allerlei soort.
Koop zoveel zoetgeurende parfums als je kunt.
Bezoek massa’s Egyptische steden,
om er te leren, te leren van hen die kennis bezitten.

Houd je geestesoog steeds vast op Ithaca gericht,
daar te komen is je uiteindelijke doel.
Maar haast je vooral niet,
je reis kan beter jaren en jaren duren.
Werp er desnoods pas het anker uit wanneer je al oud bent,
rijk aan alles wat je onderweg hebt verworven,
maar zonder nog iets van Ithaca te verwachten.
Ithaca schonk je die heerlijke reis,
maar nu heeft ze je niets meer te geven.
En al tref je er niets aan, dan heeft ze je toch niet bedrogen:
met alle wijsheid die je vergaard hebt, met zoveel ervaring,
begrijp je dan stellig wat Ithaca’s zeggen willen.

Konstantinos P. Kaváfis
vertaald door Cornelis Buddingh’